Oud-prijswinnaars

Michèle Lamont

2017

Inleiding

Het bestuur van de Stichting Praemium Erasmianum  heeft zich voor dit jaar ten doel gesteld een actieve wetenschapper te onderscheiden die zich heeft ingespannen om de relatie tussen kennis, macht en diversiteit aan de orde te stellen. In Michele Lamont vond de stichting een geëngageerde cultuursociologe die kan bogen op een breed oeuvre. Zij heeft haar wetenschappelijke carrière gewijd aan vraagstukken waarin maatschappelijke thema’s als sociale uitsluiting, ongelijkheid en waardigheid centraal staan.

In haar onderzoek stelt zij vragen als: Hoe bewaren gestigmatiseerde groepen hun eigenwaarde? Hoe bepaalt iemands afkomst (wat betreft klasse, etniciteit en gender) de manier waarop deze persoon tegen de werkelijkheid aankijkt? Hoe verhoudt het welbevinden van minderheden zich tot het welbevinden van de samenleving als geheel? Op basis van baanbrekend internationaal-vergelijkend onderzoek laat zij zien dat er voor achtergestelde groepen wel degelijk perspectieven bestaan om te komen tot nieuwe vormen van eigenwaarde en respect.

Op zoek naar succesformules voor sociale weerbaarheid vraagt Lamont zich af welke culturele factoren en institutionele structuren leiden tot veerkrachtiger samenlevingen. Zij laat zien dat de aanwezigheid van diversiteit vaak leidt tot vitalere en productievere onderlinge verhoudingen, zowel in een maatschappelijke als in een wetenschappelijke context. Daarbij richt Lamont haar kritische blik ook naar binnen: zo analyseert zij welke opvattingen over waarde en kwaliteit ten grondslag liggen aan oordeelsvorming binnen het wetenschapsbedrijf. Juist in het huidige tijdsgewricht, waarin de autoriteit en waarheidsaanspraken van wetenschappers steeds vaker in twijfel worden getrokken, acht de Stichting Praemium Erasmianum dit onderzoek van groot belang.

Gronden van Verlening

Artikel 2 van de Statuten van de Stichting Praemium Erasmianum luidt als volgt:
‘In het kader van de culturele tradities van Europa in het algemeen en de ideeën van Erasmus in het bijzonder is het doel van de Stichting het versterken van de positie van de humaniora, de sociale wetenschappen en de kunsten. De nadruk ligt op tolerantie, culturele diversiteit en niet-dogmatisch, kritisch denken. De Stichting probeert dit doel te bereiken door prijzen toe te kennen en door evenementen te organiseren die de aandacht vestigen op het werk en de visie van de laureaten. Een geldprijs wordt uitgereikt onder de naam “Erasmusprijs”.’

In overeenstemming met dit artikel heeft het bestuur van de Stichting besloten om de Erasmusprijs 2017 uit te loven aan cultuursocioloog Michèle Lamont. De prijs wordt toegekend aan Michèle Lamont op de volgende gronden:

• Ze ontvangt de prijs voor haar toegewijde bijdrage aan het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de relatie tussen kennis, macht en diversiteit.

• Als internationaal invloedrijk socioloog heeft Lamont een leidende rol gespeeld bij het verbinden van Europese en Amerikaanse onderzoeksgebieden binnen de sociale wetenschappen.

• Lamont heeft haar academische carrière gewijd aan het onderzoeken hoe door culturele omstandigheden ongelijkheid en sociale uitsluiting ontstaan en hoe gestigmatiseerde groepen erin slagen hun waardigheid en hun gevoel van eigenwaarde te behouden. Door baanbrekend internationaal vergelijkend onderzoek laat zij zien dat achtergestelde groepen nieuwe vormen van respect en zelfrespect kunnen bereiken.

• Bij haar zoektocht naar succesformules onderzoekt zij welke culturele factoren en institutionele structuren een samenleving veerkrachtiger kunnen maken. Bovendien toont ze aan dat diversiteit vaak leidt tot krachtiger en productievere relaties, zowel in de maatschappij als in de academische wereld. Lamont richt haar kritische blik ook naar binnen en analyseert de ideeën over waarde en kwaliteit die de oordeelvorming binnen de academische wereld onderbouwen. De jury vindt haar onderzoek naar de onderliggende patronen in deze discussie van bijzonder belang in een tijd waarin het gezag van academici en hun aanspraken op de waarheid steeds meer wordt uitgedaagd.

• Met haar interdisciplinaire aanpak, haar kritische houding en haar internationale visie toont Lamont zich een voorvechter van diversiteit in onderzoek en samenleving. Als zodanig belichaamt ze de Erasmiaanse waarden die de Stichting koestert en hooghoudt.

Laudatio

Majesteiten, Koninklijke Hoogheid, Excellenties, Geachte aanwezigen,

Kennis is macht. Dat zegt men althans. Maar welke kennis biedt macht? Wie heeft toegang tot die kennis? En wie beslist daarover? Wat gebeurt er als verschillende groepen mensen verschillende bronnen van kennis gebruiken? Krijgen zij ook macht? Worden hun unieke inzichten erkend of gewaardeerd? Of wordt kennis gebruikt om de een op te nemen en de ander uit te sluiten? Die vragen hebben het werk van Michèle Lamont gedurende haar hele carrière bepaald.

De afgelopen decennia heeft Michèle Lamont de relatie tussen kennis, macht en diversiteit bestudeerd. Haar persoonlijke geschiedenis en levenservaring speelden een belangrijke rol bij de vragen die ze stelde.

Als lid van de Franstalige minderheid in Quebec heeft ze uit de eerste hand ervaren hoe het is als iemands taal en cultuur door anderen wordt gedevalueerd. Als Canadese studente in Parijs realiseerde ze zich dat de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis mede wordt bepaald door de culturele omgeving die de dagelijkse ervaringen van individuele onderzoekers domineert. Die culturele omgeving is voor Europese wetenschappers anders dan voor hun Noord-Amerikaanse collega’s.

In de loop van haar carrière bij Stanford, Princeton en Harvard bleef ze altijd de standaardpraktijken van deze kennisinstellingen van topniveau bevragen als ‘buitenstaander’ die in een ander systeem is opgevoed en opgeleid.

Die persoonlijke ervaringen hebben niet alleen haar levenslange fascinatie voor kennis, diversiteit en machtsverschillen in de samenleving bepaald, ze hebben haar ook geholpen bij haar zoektocht naar antwoorden op deze vragen.

Een groot deel van het wetenschappelijk onderzoek van Michèle Lamont bestond uit het interviewen van leden van minderheids- en meerderheidsgroepen in verschillende landen over de hele wereld. Hierdoor kon ze specificeren hoe de positie van mensen in de maatschappij de dingen vormt die ze belangrijk vinden. De verschillende perspectieven van de leden van minderheids- en meerderheidsgroeperingen bepalen echter ook hoe zij succes definiëren en wat ze moeten doen om dat te bereiken.

Wat gebeurt er als we die verschillen niet erkennen? Wat zijn de consequenties wanneer we ons aansluiten bij de mening van de meerderheid, als we de waarde van mensen alleen definiëren in termen van educatief en economisch succes? Zijn mensen minder waardige burgers als ze arm maar fatsoenlijk zijn? Natuurlijk niet. Moeten we onze kinderen opvoeden om individuele prestaties na te streven zonder zich af te vragen hoe ze zich tot anderen verhouden? Wederom: nee. Toch is dit de boodschap die impliciet wordt overgebracht als we diversiteit niet waarderen.

Een beperkte focus op wat gewaardeerde kennis is, geeft aanleiding tot de verwachting dat iedereen dezelfde uitkomsten zou moeten nastreven. Dat resulteert echter alleen in een wedstrijd met weinig winnaars en veel verliezers. Als we manieren vinden om de waarde van een breder scala aan inzichten, prestaties en bijdragen te erkennen die mensen te bieden hebben, resulteert dit in een stabielere samenleving waarin verschillende mensen op verschillende manieren succesvol kunnen zijn.

Deze kwesties vormen de kern van het wetenschappelijke werk van Michèle Lamont in de loop der jaren. Ze maakt dit erg praktisch. Ze onderzoekt bijvoorbeeld wat we van innovatieve hightechbedrijven kunnen leren. Daar realiseren mensen met verschillende soorten expertise zich dat ze elk een eigen unieke bijdrage moeten leveren. Ze analyseert ook wat we kunnen leren van evaluatiesystemen die in de kunsten zijn ontwikkeld. Die kunnen ook in andere sectoren worden ingezet om zeer uiteenlopende producten zonder directe geldwaarde te evalueren.

Michèle Lamont heeft haar onderzoek uitgebreid tot haar eigen professionele omgeving binnen het universitaire systeem. In haar boek How Professors Think identificeert ze de criteria die worden gebruikt om wetenschappelijke waarde te definiëren. Hoe evalueren we het onderzoek dat in verschillende wetenschappelijke disciplines wordt gedaan? Hoe waarderen we de bijdragen van verschillende groepen wetenschappers, zoals vrouwen of leden van etnische minderheden? Hoe beïnvloeden kennis, diversiteit en macht de productiviteit in de wetenschap?

In haar wetenschappelijke werk heeft Michèle Lamont haar eigen inzichten in de praktijk gebracht. In haar onderzoek combineert ze meestal verschillende benaderingen in plaats van zich te concentreren op methoden die op die van de exacte wetenschappen lijken, zoals veel sociale wetenschappers doen. In een interview werd haar gevraagd hier commentaar op te geven. De interviewer daagde haar aanpak uit en suggereerde dat een strenge methodologie, big data en statistiek in de hedendaagse wetenschap als kenmerken van kwaliteit worden beschouwd.

Michèle Lamont reageerde als volgt: ‘Er zijn goede en slechte vragen en goede en slechte theorieën... maar er zijn geen goede en slechte methoden. De methode is zo goed als het gebruik ervan.’

Ze gaf ook commentaar op de mate waarin wetenschappelijke disciplines van elkaar verschillen. Ze gaf aan dat ‘disciplines zoals de chemie enorme middelen en laboratoriumruimte vereisen. Die bronnen bepalen mede de consensus over de kennisproducenten die ertoe doen en de soorten kennis die waterdicht zijn.’

Ze sprak haar bezorgdheid uit over het feit dat sociale wetenschappers soms te lijden hebben onder het gebrek aan die duidelijkheid en consensus. Als gevolg daarvan krijgen ze al snel het gevoel dat hun werk minder gewaardeerd wordt dan de bijdragen van de exacte wetenschappen, die door mannen worden gedomineerd.

Ze verklaarde evenwel: ‘Ik behoor niet tot de sociologen die last van bètanijd hebben.’

Integendeel: ze pleit voor de unieke sterke punten van de sociale wetenschappen, die de verschillende niveaus met verschillende methodologische hulpmiddelen benaderen: het microniveau van individuele zorgen, motieven en inspanningen en het macroniveau van de bredere ontwikkelingen en verschuivingen in maatschappelijke structuren. Michèle Lamont maakt zich sterk voor de sociale wetenschappen als het ideale instrument om al die niveaus met elkaar te verbinden door instellingen, wijken, organisaties, netwerken en culturele repertoria te onderzoeken.

Niet alleen benadrukt Michèle Lamont dit als een van de unieke sterke punten van de sociale wetenschappen. Ze herinnert sociale wetenschappers ook aan de politieke verantwoordelijkheid de kennis die ze ontwikkelen daadwerkelijk op deze manier in te zetten ten bate van de samenleving.

Kennis, macht en diversiteit. Het werk van Michèle Lamont op die gebieden heeft een enorme impact gehad. Door haar vele boeken en wetenschappelijke publicaties. Door de vele jonge wetenschappers overal ter wereld die ze heeft opgeleid en geïnspireerd. Door haar bijdragen aan openbare debatten over de toekomst van de wetenschap, over culturele verschillen en stigmatisering, over het trekken van grenzen en scheidslijnen in de samenleving – en hoe die te overwinnen. In haar persoonlijke leven en in haar wetenschappelijke werk heeft ze de kracht van diversiteit aangetoond door verschillende kennisgebieden met elkaar te verbinden en het belang van pluralisme en integratie te benadrukken.

Namens onze Stichting heb ik de eer doctor Lamont geluk te wensen met de toekenning van de Erasmusprijs.

(uitgesproken door Naomi Ellemers, namens het Bestuur)

Dankwoord Michèle Lamont

Majesteiten, Koninklijke Hoogheid, Excellenties, geachte leden van de Stichting, dames en heren,

Ontroerd sta ik voor u om de Erasmusprijs, die grote eer, te aanvaarden. Wat een zeldzaam geluk dat de Stichting dit jaar ‘Macht, Kennis en Diversiteit’ als thema voor de prijs heeft gekozen en dat jury uit alle waardige kandidaten mij heeft uitverkoren! Een sociaal wetenschapper kan zich nauwelijks een aanzienlijkere beloning voor zijn arbeid voorstellen, en met grote nederigheid dank ik Zijne Majesteit de Koning en de leden van de Stichting Praemium Erasmianum voor deze bijzondere eer. Ik wil de mij toebedeelde tijd gebruiken om mijn gedachten met u te delen over de betekenis die ik aan deze prijs hecht en over het huidige politieke tijdsgewricht dat onze samenleving voor zoveel grote uitdagingen plaatst.

Ik ben opgegroeid in het Québec van de jaren zestig, midden in de stille revolutie. Een intense periode van sociale verandering, een tijd waarin deze kleine gemeenschap van zes miljoen voornamelijk Franstalige Noord-Amerikanen in een verbazingwekkend tempo moderniseerde nadat de katholieke Kerk haar politieke en culturele greep op het sociale weefsel had verloren. Mijn dissertatie ging over de revolutie in de kenniswereld waarmee die veranderingen gepaard gingen: ik liet zien dat de filosofie en de theologie, die in de jaren zestig aan de top van de hiërarchie van disciplines stonden, in de jaren tachtig werden verdrongen door de alleenheerschappij van economie en rechten. Die disciplines leverden de intellectuele instrumenten die nodig zijn voor de institutionalisering van een grote sociaal-democratische bureaucratische staat die de belangrijkste economische motor van de samenleving in Québec en een instrument voor collectieve empowerment zou worden.

Mijn vader, geboren in 1928, stamde uit die pretechnocratische wereld en was door zijn bijna tienjarige priesterstudie vertrouwd met Augustinus, Teilhard de Chardin, Paul Maritain en andere denkers. Toen ik tijdens mijn voorbereiding voor deze dag over het leven van Erasmus was gaan lezen, zag mijn vruchtbare verbeelding meteen parallellen tussen de verre humanistische wereld van Erasmus en de wereld waarin mijn vader studeerde.

Op zijn twaalfde verhuisde mijn vader naar een seminarie, ver van zijn familie, waar hij zijn leven deelde met mannen die hem leerden in het Grieks en in het Latijn te discussiëeren over ogenschijnlijk middeleeuwse kwesties inzake God en de vrije wil. Toen ik als tiener zijn bibliotheek begon te verkennen, kwamen die vragen me achterhaald voor. Mijn vader was goed thuis in de humanistische cultuur en schreef een dissertatie over Antoine de Saint-Exupéry. Ik weet niet waarom. Ik had het geluk dat ik tijdens mijn eigen opleiding heb mogen kennismaken met de overblijfselen van die wereld, eveneens onder leiding van een religieuze orde. In die opleiding werd meer nadruk gelegd op geschiedenis, Latijn, cultuur en literatuur dan op instrumentele en technologische kennis. Een van de redenen waarom deze prijs zoveel voor me betekent, is dat ik hem beschouw als een bevestiging van de multidimensionale intellectuele wereld die mij heeft voortgebracht. Hoe absurd het ook moge klinken, ik vlei me heimelijk met de gedachte dat Erasmus en ik geestverwanten zijn en dat deze prijs ons langs de onvoorspelbare kronkelpaden van het leven samenbrengt.

Net als Erasmus ben ik op jonge leeftijd naar Parijs gegaan om daar mijn studie voort te zetten, en ik studeerde in het Vijfde Arrondissement, niet ver van het Collège de Montaigu op de Montagne Sainte-Geneviève waar onze moraalfilosoof naartoe ging. In het postkoloniale Québec van de jaren zeventig was een verblijf in Parijs voor aankomende academici de rigueur (vreemd genoeg stonden de Verenigde Staten heel ver van ons af!) Die stad was in die tijd een bijzonder spannende bestemming die jonge mensen uit vele intellectuele werelden aantrok, al voelde het toen al een beetje als het einde van een tijdperk, misschien gesymboliseerd door de begrafenis van Jean-Paul Sartre, die ik bijwoonde - ik was een van de duizenden die zijn kist volgde over de brede boulevards van Montparnasse.

Toen ik in 1978 aankwam, gaven Claude Lévi-Straus en Michel Foucault nog college aan het Collège de France. In 1979 volgde ik het seminar van Pierre Bourdieu, in het jaar waarin zijn Distinction verscheen – een van de grote werken die de sociale wetenschappen van de laatste decennia van de 20e eeuw hebben bepaald. Er hingen zoveel opwindende ideeën in de lucht, er waren zoveel discussies te volgen. Uw eigen Norbert Elias, sociaal wetenschapper van wereldklasse, was mede dankzij de invloed van Bourdieu in sociologische kringen al modieus. Twee van zijn geweldige boeken, Het civilisatieproces en Gevestigden en buitenstaanders, hebben diepe indruk op me gemaakt toen ik mijn onderzoeksagenda over groepsgrenzen ontwikkelde (wie is binnen en wie staat buiten) en over de manier waarop culturele markers (bijvoorbeeld: hoe snuit men zijn neus in het openbaar) worden gebruikt om het lidmaatschap van een elitegroep aan te geven. Ik heb van Elias geleerd hoe dergelijke praktijken bijdragen aan het ontstaan ​​van ongelijkheid en monopolisering van middelen (wat sociologen closure noemen). Die culturele processen zijn uiteindelijk naar het middelpunt van mijn intellectuele agenda verhuisd, waar ze vandaag de dag nog steeds staan.

In 1983, tijdens de opkomst van Silicon Valley en het neoliberalisme (Ronald Reagan was net aan de macht gekomen), werd ik postdoctoraal onderzoeker aan Stanford University, waar ik de Amerikaanse sociologie leerde kennen. Die onverwachte migratie verbreedde mijn horizon in veel opzichten enorm en bracht me in contact met de socioloog Frank Dobbin, mijn geliefde echtgenoot met wie ik alweer dertig jaar getrouwd ben en met wie drie fantastische kinderen heb gekregen, Gabrielle, Pierre en Chloe. Die verhuizing was in zekere zin een grand écart vanwege het hectische werktempo, de afstand tot mijn intellectuele afkomst en de taalkundige overgang die me werden opgelegd. Tot op de dag van vandaag heb ik paradoxaal genoeg nog steeds een visie op mijn roeping die enigszins haaks staat op de tegenwoordige Amerikaanse academische wereld, ondanks het feit dat ik aan de meeste eisen daarvan heb voldaan. Ik beschouw intellectueel werk als een gecompliceerd, deels onvoorzienbaar en tijdrovend ambacht, en dat is niet helemaal compatibel met het ontwortelde mantra publish or perish waaraan we ons onderwerpen. Ook dat is een van de redenen waarom het ontvangen van de Erasmusprijs zoveel voor me betekent: deze eer bevestigt de waarde van wetenschappelijk werk als een onvoorspelbaar avontuur, een ideaal dat ik ambieer en dat wordt bedreigd door de gerationaliseerde hedendaagse cultuur van kennisproductie en evaluatie die door onze auditsystemen worden bevorderd. Dat brengt me bij de absurditeit van het huidige tijdsgewricht en de uitdagingen waarmee we worden geconfronteerd.

De soorten samenlevingen die voor onze ogen worden gevormd, lijken nauwelijks op de wereld waarin ik zou willen leven of waarin ik zou willen dat onze kinderen leven. Elke dag bedenkt president Donald Trump, de grote verdeeldheidszaaier in het land waarin ik woon, nieuwe manieren om groepsgrenzen te versterken en de meest kwetsbare leden van onze samenleving te raken. Dit gebeurt nu de ongelijkheid het hoogste punt heeft bereikt sinds de crisis van 1929 en veel blanke mannen uit de arbeidersklasse een neerwaartse mobiliteit ervaren, zich economisch kwetsbaar voelen en manieren zoeken om te bevestigen wat volgens hen hun rechtmatige, superieure plaats in de samenleving is.

Immigranten zijn een gemakkelijke prooi. In de Verenigde Staten was deze groep in de vroege jaren negentig, toen ik Amerikaanse arbeiders interviewde voor mijn boek The Dignity of Working Men, veel minder opvallend aanwezig in de gedeelde definities van ‘wij’ en ‘zij’. Tegenwoordig giet Trump samen met zijn populistische geestverwanten in een aantal Europese landen olie op het vuur en voedt hij woede en wrok zoveel mogelijk, en dat in een tijd waarin de vakbonden hun invloed op de werknemers kwijtraken en niet meer kunnen uitleggen wat hun klassenbelangen zijn. Dit maakt, samen met andere factoren (waarvan de krachtige politieke lobby van de economische elites de belangrijkste is), onze samenleving minder inclusief en minder genereus. We weten dat die veranderingen tegen het collectieve belang indruisen: niemand is gebaat bij een gierige samenleving. Als er sprake is van meer ongelijkheid en minder solidariteit heeft iedereen daaronder te lijden, want dan nemen normloosheid, geweld, deviantie, geestesziekte en radicalisme hand over hand toe en wordt het sociale weefsel verzwakt.

De weg naar voren wordt minder duidelijk naarmate het moeilijker wordt om contact te leggen met mensen die anders denken dan wij. Onze media zijn in toenemende mate gestructureerd rond echokamers, tenminste in de Verenigde Staten. We moeten nadenken over manieren om de culturele bruggen te bouwen die nodig zijn om uit onze huidige situatie te komen. De kennisproducenten die de publieke sfeer voeden, moeten nieuwe verhalen aanbieden die de leden van onze samenleving met elkaar verbinden, alternatieven aanreiken voor de ideologie van de dominantie van maatschappelijk succes. Daarvoor moeten we beter begrijpen wat verschillende groeperingen in moreel opzicht drijft.

De progressieve middenklasse omarmt solidariteit met de onderdrukten vaak als een vorm van moraliteit, maar hun conservatieve tegenhangers en sommige leden van de arbeidersklasse koppelen hun waardigheid aan het bevorderen van een moraal van zelfredzaamheid en hard werken. Soms brengt dat de laatste groep ertoe de armen en immigranten te veroordelen omdat zij in hun ogen ‘misbruik van het systeem’ zouden maken. Als we vooruit willen komen, moeten we die verschillende opvattingen over moraliteit expliciet en bespreekbaar maken en ze niet alleen omarmen en voeden. Hetzelfde geldt voor de vraag wie er in het land thuishoren en wie niet, en ook voor de plaats van huidskleur en religie in die discussie, zowel in Nederland als in de Verenigde Staten.

Daar ligt een bijzondere rol voor de sociale wetenschappen. We moeten de groeiende erkenningskloof waarmee veel mensen elke dag te maken krijgen aanpakken door voor iedereen zichtbaar te maken dat de blanke arbeidersklasse onder hetzelfde gebrek aan respect lijdt als immigranten en minderheden. Het zichtbaar en bespreekbaar maken van die overeenkomsten bij het zoeken naar waardigheid kan ons helpen de weg naar een betere toekomst te vinden, want dat verlangen wordt door een groot percentage van de mensheid gedeeld. We moeten in het openbare leven de verschillende vormen van universalisme laten zien die ons samen kunnen brengen en helpen bij het herstellen van het sociaal contract, dat in deze nieuwe populistische tijden elke dag meer in gevaar lijkt te komen.

Een van de boeken die de grootste impact op mijn denken hebben gehad was De eendimensionale mens van Herbert Marcuse, waarin hij ons aanspoort ‘alles te zijn wat we kunnen zijn’ en te voorkomen dat ons zelfbeeld en onze verlangens te veel worden bepaald door de druk van winstmotief, productivisme en consumptie. Marcuse was een van de denkers die een grote invloed hadden op de studentenbeweging van mei '68 in Frankrijk en elders. Zijn boek was een verdediging van het menselijk bestaan ​​in zijn vele dimensies, een oproep om de voorkomen dat het sociale leven vervlakt tot de meest elementaire economische dimensies. Ik nader nu de zestig en mede door de inspiratie van Marcuse hebben de aspecten van mijn werk die mij het meest aanspreken, te maken met de noodzaak een ​​multidimensionaal begrip te behouden van datgene wat waardige mensen en een waardig leven definieert. Wat mij drijft is de noodzaak na te denken over een veelheid aan definities van het begrip succes, over mogelijkheden om samenlevingen te cultiveren waarin verschillende soorten excellentie naast elkaar kunnen bestaan, zoals vertegenwoordigd door wetenschappers, kunstenaars, geleerden, spirituele en maatschappelijke leiders, handarbeiders, zakenvrouwen, dromers en nog veel meer. Dat staat lijnrecht tegenover de overheersende opvattingen over succes, waarbij alleen geld en competitie als normen voor waarde gelden en iemand als Trump tot held wordt verheven.

Op dit punt in de geschiedenis moeten we ons realiseren dat het accepteren van economisch succes als enige criterium van waarde voor iedereen eenvoudigweg niet werkt. Niet iedereen kan tot de hogere middenklasse of de bovenste twintig procent van de bevolking behoren. Als dat waandenkbeeld in brede kring wordt omarmd, veroordelen we de meerderheid van de bevolking ertoe zichzelf als losers te moeten beschouwen en zo ook door anderen te worden beschouwd. Een van de missies van de sociale wetenschappers van vandaag is dus te achterhalen hoe we onze collectieve denkbeelden zo kunnen bijstellen dat voor iedereen een ​​breder scala aan toekomstmogelijkheden openstaat. Ik hoop dat deze Erasmusprijs me de vleugels zal geven die ik nodig heb om die uitdaging met veel hulp van mijn vrienden aan te gaa,n en dat we samen een significante invloed zullen hebben op de wegen die onze samenlevingen op dit moment kunnen inslaan. Dat is een dringende zaak en er staat voor de generatie van de toekomst, en ook voor ons, te veel op het spel om die uitdaging niet aan te gaan.

Vertaling: Gerda Baardman

Biografie

Michèle Lamont (1957) is hoogleraar Sociologie aan Harvard University, waar zij werkzaam is als Professor of African and African American Studies en als Robert I. Goldman Professor of European Studies. Michèle Lamont is geboren in Toronto en opgegroeid in Québec, later studeerde zij in Ottawa en in Parijs. Na werkzaam geweest te zijn aan de universiteiten van Stanford en Princeton in de Verenigde Staten, is zij sinds 2003 verbonden aan Harvard University. Zij schreef tientallen boeken en artikelen over uiteenlopende onderwerpen zoals sociale ongelijkheid en uitsluiting, racisme en etniciteit, maar ook over instituties, wetenschap en onderwijs. In haar meest recente boek Getting Respect (2016) gaat ze in op de vergaande invloed die discriminatie heeft op het alledaagse leven van gestigmatiseerde groepen. In haar eerdere boek How Professors Think (2009) wordt uit de doeken gedaan hoe in de academische wereld wordt bepaald wat wel en niet als waardevolle kennis wordt beschouwd. Als internationaal invloedrijk socioloog heeft Lamont een grote rol gespeeld in het verbinden van Europese en Amerikaanse onderzoeksrichtingen binnen de sociale wetenschappen. In 2002 was zij medeoprichter van het Successful Societies Program aan het CIFAR. In 2016 ontving zij een Eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam.

Erasmusprijs 2017 toegekend aan Michèle Lamont

De Erasmusprijs 2017 is toegekend aan de Canadese cultuursocioloog Michèle Lamont

Erasmusprijs 2017 toegekend aan Michèle Lamont

De Erasmusprijs 2017 is toegekend aan de Canadese cultuursocioloog Michèle Lamont

Erasmusprijs 2017 toegekend aan Michèle Lamont

De Erasmusprijs 2017 is toegekend aan de Canadese cultuursocioloog Michèle Lamont

Erasmusprijs 2017 toegekend aan Michèle Lamont

Erasmusprijs 2017 toegekend aan Michèle Lamont

Erasmusprijs 2017 toegekend aan Michèle Lamont

De Erasmusprijs 2017 is toegekend aan de Canadese cultuursocioloog Michèle Lamont