Oud-prijswinnaars

Jürgen Habermas

2013

In de Duitse geleerde Jürgen Habermas (1929) heeft de Stichting Praemium Erasmianum een prijswinnaar gevonden die bij uitstek het thema van de toekomst van de democratie belichaamt. Jürgen Habermas zet zich onvermoeibaar in voor een democratische, rechtvaardige samenleving. Hij bekritiseert de bestuurlijke elites om hun kortetermijndenken en hun falen in het creëren van een breed democratisch draagvlak voor Europa. Hij houdt bovendien een krachtig pleidooi voor een verdere politieke integratie van Europa, die hij ziet als wenselijk en onvermijdelijk.

Jürgen Habermas heeft een groot oeuvre, waarin hij steeds het belang van de dialoog en de menselijke waardigheid benadrukt. Tot zijn bekendste werken horen ‘Zur Strukturwandel der Oeffentlichkeit’ (1962) en ‘Theorie des kommunikativen Handelns’ (1981). De huidige politieke en financieel-economische crisis en het lot van Europa komen onder meer aan de orde in zijn recente essays ‘Over de constitutie van Europa’ (2012) en ‘The Crisis of the European Union, a Response’ (2012), alsook in zijn talrijke publieke optredens.

Als een van de meest invloedrijke filosofen ter wereld, heeft Habermas zich beziggehouden met zo vele vraagstukken, dat een korte biografie als deze nooit recht kan doen aan de omvang van zijn werk en de betekenis daarvan. Zijn werk strekt zich uit over uiteenlopende vakgebieden zoals sociaal-politieke theorie, esthetica, epistemologie, taal, en godsdienstfilosofie. Zijn ideeën zijn van invloed geweest op even zo talrijke gebieden: de filosofie, het politiek-juridisch denken, sociologie, communicatiestudies, argumentatietheorie, retorica, ontwikkelingspsychologie en theologie. Daarnaast heeft Habermas zich actief opgesteld in discussies over uiteenlopende politieke en sociale onderwerpen. Zijn stem voor politieke solidariteit en Europese integratie blijft klinken.

Illustratie Jürgen Habermas: Joseph Semah

Gronden van Verlening

Artikel 2 van de statuten van de Stichting Praemium Erasmianum bepaalt als volgt: Het doel van de Stichting is, om binnen het kader van de culturele tradities van Europa, en het gedachtegoed van Erasmus in het bijzonder, de positie van de humaniora, de sociale wetenschappen en de kunsten te versterken. De nadruk ligt daarbij op verdraagzaamheid, culturele veelvormigheid en ondogmatisch, kritisch denken. De Stichting tracht dit doel te bereiken door het toekennen van prijzen en door andere middelen. Een geldprijs wordt toegekend onder de naam Erasmusprijs.

In overeenstemming met dit artikel heeft het bestuur van de Stichting Praemium Erasmianum besloten de Erasmusprijs voor het jaar 2013 toe te kennen aan professor dr Jürgen Habermas.

De Prijs wordt hem toegekend op de volgende gronden:

Jürgen Habermas’ standpunten over sociaal-politieke ontwikkelingen zijn geworteld in zijn levenslange theoretische werk over de publieke ruimte en menselijke communicatie. Hij stelt kritische vragen, net als vele filosofen, maar hij geeft ook antwoorden. Daarin heeft hij altijd de nadruk gelegd op het belang van de dialoog voor een democratische samenleving, waarin - zo redeneert hij - menselijke waardigheid de voornaamste waarde is.

Hij is scherp in zijn analyses van politieke gebeurtenissen in Europa en bekritiseert politieke elites om hun opportunistisch denken. Hij pleit voor politieke solidariteit en langetermijndenken, en neemt een krachtig en positief standpunt in binnen het debat over een verdergaande Europese integratie.

Jürgen Habermas is een van de meest invloedrijke geleerden en publieke intellectuelen, op verschillende gebieden die disciplines als sociologie, politiek en filosofie doorkruisen. In geschrifte en in de praktijk geeft hij steeds blijk van een levensopvatting, waarin het rationele debat tussen gelijke individuen de basis is voor een beschaafde, humane en democratische wereld.

Hij is een wereldburger in de ware Erasmiaanse betekenis.
 

Laudatio

Majesteiten, Koninklijke Hoogheden, Excellenties, dames en heren,

In augustus van dit jaar werd het 23ste Wereld Congres van de Filosofie gehouden in Athene. Een van de doelstellingen van de conferentie was om de rol en verantwoordelijkheden van de hedendaagse filosofen te bediscussiëren. Ongeveer 3000 wijsgeren uit de gehele wereld kwamen voor deze conferentie naar Athene. Dit bracht een Griekse links-liberale krant er toe te klagen dat filosofen in tijden van crisis te stil waren

"Dit is het meest overtuigend bewijs dat de filosofie helemaal vast zit in academia en dat zij onderworpen is aan misvorming in een systeem dat de belangen dient van pragmatisme, utilitarisme en uiteindelijk cynisme… Na zich zo lang te hebben aangepast aan de behoeften van een lucratief model van onderzoek en onderwijs, heeft wijsbegeerte de vorm aangenomen van een autistische, zichzelf bedienende discipline. Het is geen toeval dat het sociale stereotype van de filosoof dat van iemand is die alleen in zijn eigen wereld leeft. Meer een drop-out dan een militante intellectueel die vragen stelt uit naam van de samenleving en opstaat tegen de gevestigde machten."

Misschien had die journalist de lijst van deelnemers niet goed genoeg bekeken, want er was ten minste één senior Duitse deelnemer, die – zoals de journalisten hadden moeten weten – voor 100% het tegendeel was van het stereotype beeld van de filosoof die ‘alleen in zijn eigen wereld leeft.’ In een toespraak voor een afgeladen collegezaal aan de Universiteit van Athene analyseerde Jürgen Habermas de Europese crisis vanuit het perspectief van het gebrek aan politieke solidariteit. Hij redeneerde dat de EU, in plaats van de democratie uit te breiden en de werkwijze aan te passen, steeds meer een technocratie aan het worden was, waarin de lidstaten deelnemen zonder betrokkenheid van de burgers. Habermas bekritiseerde de Duitse regering en stelde dat onder haar leiding de EU bij haar poging de crisis op te lossen, prioriteit gaf aan de fiscale balans van elke lidstaat afzonderlijk, boven al het andere. Volgens Habermas is politieke solidariteit vereist om de crisis op te lossen. Hij bekritiseert de machtige EU leden voor hun opportunistisch, kortetermijndenken, voor het zich onttrekken aan hun verantwoordelijkheden door niet uit te leggen aan hun burgers dat zonder deze solidariteit het project een doodlopende weg is en de ontwikkeling van de eurozone verder verzwakt wordt.

Dames en heren, de standpunten die Jürgen Habermas herhaaldelijk naar voren heeft gebracht met zoveel overtuigingskracht, zijn geworteld in een lang leven van toegewijde studie van de openbare ruimte. Zijn grote werken zoals Strukturwandel der Öffentlichkeit waarin hij het standpunt verdedigt dat democratie een conditio sine qua non is voor werkelijke vooruitgang, en het boek Theorie des kommunikativen Handelns, hebben zijn autoriteit gevestigd als een van de grote denkers van onze tijd. Habermas heeft een enorm oeuvre van boeken en andere geschriften opgebouwd. Zijn werk is kritisch, ondogmatisch en overstijgt de gebruikelijke grenzen van gevestigde specialismen. Het doorkruist een uitgestrekt gebied - ethiek, wetenschapsfilosofie, taalfilosofie, politieke theorie, sociologie, sociale filosofie en culturele theorie. Daarnaast is hij, vanaf de vijftiger jaren van de vorige eeuw, onvermoeibaar in debat gegaan over urgente politieke kwesties, zoals kernbewapening, de Duitse deling, terrorisme, de oorlog in Irak, en meer recentelijk, het punt van de Europese integratie. Zijn bijdragen worden altijd gekenmerkt door een hoge mate van autonomie, hij betrekt stellingen die hem vaak op kritiek komen te staan van tegengestelde zijden van het politieke spectrum. Deze autonome en kritische houding in het huidige politieke debat is een direct gevolg van zijn academisch werk. Als er één rode draad is in zijn activiteiten, dan is het wel zijn poging om wederzijds begrip te bewerkstellingen in een redelijke en open dialoog. De verbinding bestaat uit het publieke gebruik van de rede: van de publieke ruimte via communicatieve actie en rationaliteit tot discours ethiek en dan, ten slotte, tot deliberatieve democratie. Au fond zal waarheid moeten prevaleren boven macht; communicatie moet gebaseerd zijn op de gelijkheid van deelnemers, op alle gebieden: politiek, wetenschap en ethiek. Dit zijn de basisingrediënten van Habermas’ redenatie; zij vormen de sleutel tot zijn volharding, zijn betrokkenheid en geloof in een rationele route naar emancipatie en verlichting.

De Stichting Praemium Erasmianum heeft als thema voor de Erasmusprijs van 2013 ‘de toekomst van de democratie’ gekozen. Het idee van de vertegenwoordigende parlementaire democratie is voor velen een aantrekkelijk bestuursmodel. Maar democratie is niet zo vanzelfsprekend. De gedachte is omarmd door regio’s en landen die zich van dictaturen hebben bevrijd, zoals in Oost-Europa en Zuid-Amerika. Andere regio’s, zoals China en Singapore hebben in plaats daarvan economische en sociale resultaten gekozen als basis om de samenleving te organiseren. Maar ook daarbuiten wordt het democratisch model geconfronteerd met problemen van praktische haalbaarheid en geloofwaardigheid. Kan de parlementaire democratie, een model dat ontwikkeld is op nationale basis, met zijn langzame besluitvormingsprocedures stand houden tegenover internationale uitdagingen zoals klimaatsverandering, financiële crises en nieuwe communicatietechnologieën? Of andere uitdagingen zoals de voortgaande liberalisering van de wereldhandel? Kan de macht van de markt gecontroleerd worden door nationale overheden, terwijl deze binnen de grenzen blijven van de normatieve, democratische, constitutionele staat? De Europese integratie is een ander probleem. Aan de ene kant is ‘Europa’ een garantie voor veiligheid, beschermt de fundamentele rechten van de burger, en zorgt ervoor dat het systeem niet terugglijdt in een dictatuur. Anderzijds wordt ‘Europa’ bekritiseerd vanuit het perspectief van de vertegenwoordigende democratie vanwege een gebrek aan transparantie en een democratisch deficit. Dit klemt te meer omdat steeds meer macht wordt overgedragen aan supranationale instellingen van de EU. Zelfs uitgesproken voorstanders van een meer gecentraliseerd Europees bestuursmodel lopen tegen een probleem aan, zolang er de overheersende achterdocht is dat verdergaande Europese integratie interfereert met de nationale democratieën. De vraag is hoe een zinvolle Europese integratie gelijk kan opgaan met een versterking van democratische waarden, die in het verleden altijd geassocieerd waren met de natiestaat.

Dames en heren, in de persoon van professor Jürgen Habermas heeft onze Stichting een laureaat gevonden die in praktijk en geschrifte dit thema van de toekomst van de democratie belichaamt. Meer dan een halve eeuw lang heeft Jürgen Habermas gereflecteerd op sociaal-politieke ontwikkelingen in de wereld. Hij was getuige van de oprichting van de Europese Unie en is sindsdien toegewijd aan het Europese project. Hij gelooft in een democratisch Europa en geeft in zijn geschriften doordachte perspectieven voor de toekomst van Europa. Centraal in zijn denken staat de democratie en de betrokkenheid van de bevolking. Habermas maakt scherpe analyses van mondialiseringsprocessen en de consequenties van liberalisering, waarbij hij wijst op het probleem van de democratische controle. Hij maakt zich zorgen over een mogelijk verlies van democratische waarden temidden van geglobaliseerde financiële markten, maar blijft geloven in het debat, in de ratio als de bron voor politiek en de gelijkheid van de mensen. Hij is scherp en kritisch in zijn analyse van de politiek en van waar het de verkeerde kant opgaat. Tegelijkertijd is hij optimistisch in zijn verwachtingen, omdat hij hoopt op een ‘Wende’ in een rationele richting, gebaseerd op het debat tussen gelijken. Enerzijds geeft hij een positieve interpretatie van de oorsprong van de Europese Unie, het juridisch discours tussen staten en dat tussen staten en de EU. Anderzijds waarschuwt hij voor de opkomst van een technocratie die zich losmaakt van democratische controle indien politieke unie niet wordt bereikt. Hij bekritiseert de politieke elites om hun kortetermijndenken en voor het feit dat zij er niet in slagen een brede democratische steun te scheppen voor Europa. Niettemin beschouwt hij een verdergaande politieke integratie van Europa als wenselijk en onvermijdelijk.

Habermas wordt dikwijls geciteerd en zijn publicaties blijven grote belangstelling trekken. Vooraanstaande politici halen zijn standpunten met instemming aan. Habermas’ werk omspant meer dan vijf decennia en toont geen tekenen van verzwakking. Terecht wordt hij het filosofisch geweten van democratisch Duitsland genoemd. Als betrokken publiek intellectueel wordt hij ook gehoord en gewaardeerd in de rest van de wereld. Habermas is het perfecte voorbeeld van een publiek intellectueel, een innemend denker, die prikkelt tot verder denken over zaken als menselijke dialoog, democratie en menselijke waardigheid. Zijn humanistische denkbeelden en betrokkenheid bij de toekomst van Europa maken hem tot een voorbeeld bij uitstek van de Erasmiaanse waarden die onze Stichting zo graag hoog houdt.

Professor Habermas, namens onze Stichting wil ik u gelukwensen met de Erasmusprijs.

(Uitgesproken op 6 november 2013 door Maria Grever, bestuurslid van de Stichting Praemium Erasmianum)

Dankwoord Nederlands

Majesteiten, Koninklijke Hoogheden, Excellenties, dames en heren,

De eerste in de rij van eminente persoonlijkheden die deze prijs mocht ontvangen was Karl Jaspers. Hij appelleerde in 1946 met zijn prikkelende publicatie over ‘De schuldvraag’ aan het geweten van zijn Duitse medeburgers. Zijn ruimdenkende, op rede en communicatie gerichte geesteshouding heeft veel gemeen met die van de naamgever van de prijs. Die naamgever geeft de prijs, zoals de initiatiefnemers dat hebben gewild, een dubbele oriëntatie: aansluiting bij de ideeën van Erasmus houdt in dat de eenwording van Europa in de geest van humanistische studie en vorming moet worden bevorderd. Ik zou over beide aspecten graag iets willen zeggen – natuurlijk over het thema Europa en over de toekomst van de democratie in Europa; maar ook over een humanisme dat niet beperkt blijft tot een vage geest van tolerantie. Erasmus vocht voor posities die tot op heden omstreden zijn.

Ik beroep me op een van zijn beroemdste werken, De libero arbitrio. Daarin verdedigt Erasmus zoals bekend de wilsvrijheid van het met verantwoordelijkheidsbesef handelende individu tegen de predestinatieleer van Luther. Op een bepaalde manier keert deze intern-theologische confrontatie vandaag de dag in geseculariseerde gedaante terug. U herinnert zich nog wel dat Luther in navolging van Augustinus leerde dat God zijn oordeel over verlossing of verdoemenis van de individuele gelovige al aan het begin der tijden heeft geveld. Erasmus wijst Luther op het Laatste Oordeel en brengt tegen diens argumentatie het volgende in: ‘Waarom zouden we nog voor de rechter moeten staan, als niets zich volgens onze wil heeft voltrokken, maar alles uitsluitend het gevolg is van noodzakelijkheid?’

Luther baseert zijn standpunt in wezen op twee redeneringen. Hij beroept zich allereerst op Paulus, met zijn opvatting dat de zondige natuur van de mens zo door en door verdorven is dat onze wil op zichzelf, zonder de genade van de almachtige God, niets kan uitrichten. De tweede redenering is van morele aard en moet worden verbonden met de contemporaine context van een verwereldlijkte rooms-katholieke Kerk. Alleen wanneer ons heilslot op ondoorgrondelijke wijze is voorbeschikt, kunnen de motieven die gelovigen aanzetten tot het leiden van een godgevallig leven gevrijwaard blijven van de egocentrische opzet om het eigen geluk te bevorderen. In feite blijft de morele betekenis van Gods geboden alleen intact wanneer die omwille van zichzelf worden nageleefd.

Erasmus deelt Luthers kritiek op de rechtvaardiging op grond van goede werken alleen. Maar anders dan Luther meent hij dat iedere zelfstandig denkende persoon in staat moet worden geacht om de plicht van de zedelijke geboden alleen door redelijk inzicht te aanvaarden. Die gedachte zal Kant tweehonderd vijftig jaar later toespitsen op het begrip autonomie: vrij is diegene die zijn wilsbesluiten verbindt met algemene wetten die hij zichzelf op goede gronden heeft gegeven – namelijk omdat hij begrijpt wat in gelijke mate goed is voor iedereen. Daarmee kan hij zijn geluk niet verdienen, hij kan alleen aantonen dat hij dat geluk waardig is.

Vandaag de dag zien we deze discussie tussen Erasmus en Luther op ironische wijze terugkeren. Aan de kant van Erasmus staan filosofen die volhouden dat de mens zelf op goede gronden onderscheidt maakt tussen goed en kwaad. Aan de andere kant staan neurologen, die menen dat wilsvrijheid een illusie is, omdat ze de steeds aanwezige causale verbinding van neuronale toestanden volgens natuurwetten als equivalent beschouwen van Luthers heilsdeterminisme. En ze dringen aan op hervorming van het strafrecht, alsof ze vooruitlopen op de vraag van Erasmus waarom wij, als onvrije personen, dan überhaupt nog voor de rechter zouden moeten staan. Dit voorbeeld, dames en heren, toont aan dat het humanisme een vitale en nog altijd strijdbare positie is.

Maar de andere intentie die met het toekennen van de prijs kan worden verbonden is pas echt omstreden – de eenwording van Europa in de geest van het humanisme. In de tijd van Erasmus bestond dit probleem nog niet. Ondanks de ontdekking van Amerika was Europa nog de wereld; en de Latijn sprekende geleerde wereld kende geen grenzen. De rooms-katholieke wereldkerk brak weliswaar in stukken, maar de confessionele scheuring betekende nog geen afbrokkeling in naties die zich in die hoedanigheid van elkaar afgrensden. De bevolkingen moesten hun bewust beleefde nationale saamhorigheid pas veel later, na de invoering van de algemene leerplicht en in het licht van hun eigen nationale geschiedenis, cultuur en taal, verwerven, om als dienstplichtigen en masse tegen elkaar gemobiliseerd te kunnen worden. Vandaag de dag ligt het einde van dit met het koloniale imperialisme verweven nationalisme alweer meer dan een halve eeuw achter ons. Maar nog altijd stuiten we op de hardnekkigheid van nationale grenzen. Met het Schengenakkoord zijn de slagbomen verdwenen; innerlijk worden ze weer neergezet.

Want de mondialisering van economie en samenleving heeft opnieuw reacties van wederzijdse afscherming uitgelokt, en wel om twee redenen. In de context van een toenemende sociale ongelijkheid ervaren onze naties het pijnlijke proces van de transformatie tot postkoloniale immigratiesamenlevingen. Relatief homogene meerderheidsculturen worden door de toestroom van arbeids-, armoede- en politieke immigranten voor het probleem geplaatst om vreemde subculturen met andere religieuze levensvormen te integreren. Dat is het ene probleem. Het andere probleem is de uitholling van de nationale democratieën. De burgers zien dat gebeuren en trekken zich als gevolg daarvan terug in hun nationale bolwerk.

Omdat de wereldgemeenschap steeds meer aaneengroeit, krimpt de politieke speelruimte van de regeringen en worden de nationale staten vandaag de dag genoodzaakt tot steeds nauwere samenwerking in een snelgroeiend netwerk van internationale organisaties. Dat betekent tegelijk dat de onderlinge horizontale afhankelijkheid van de regeringen groter wordt. En zo komen, op basis van internationale verdragsrelaties, steeds meer besluiten tot stand waarop de burgers met hun democratische middelen geen invloed meer kunnen uitoefenen. Voorlopig functioneert de publieke menings- en wilsvorming immers nog uitsluitend binnen de grenzen van de nationale staat. Maar aangezien wij het mondialiseringsproces niet ongedaan kunnen en ook niet willen maken, kan de sluipende verdorring van de democratie alleen door verlenging van de legitimatiewegen over de nationale grenzen heen worden tegengegaan.

De Europese Unie heeft op de weg naar die transnationalisering van de democratie vooropgelopen – iets waar haar burgers tot dusver trots op waren. Maar Europa is halverwege blijven staan. Daaronder hebben vandaag de dag met name de landen van de eurozone te lijden, omdat de gemeenschappelijke munt zich in veel opzichten slecht laat combineren met de soevereiniteit van de lidstaten. Terwijl de volkeren onder druk van de crisis uiteendrijven en elkaar vanuit hun eigen nationale publieke domeinen wederzijds stigmatiseren, wordt de technocratische verstrengeling van de regeringen achter gesloten deuren voortgezet. En daarvoor betalen de burgers een steeds hogere prijs, in de vorm van slinkende democratische macht. We kunnen aan deze kwalijke vicieuze cirkel ontkomen wanneer de naties zich voor elkaar openstellen en niet langer terugschrikken voor een hechtere politieke unie. Met welk project zou de nalatenschap van Erasmus grotere eer worden bewezen dan met de energieke poging om het verstoorde wederzijdse vertrouwen tussen het Europese noorden en het Europese zuiden te herstellen?

Dankwoord Duits

In der Reihe der herausragenden Personen, die diesen Preis erhalten haben, ist der erste Karl Jaspers. Er hat 1946 mit seiner aufrüttelnder Publikation über die „Die Schuldfrage“ an das Gewissen seiner deutschen Mitbürger appelliert. Seine liberale, auf Vernunft und Kommunikation ausgerichtete Geistesart trifft sich mit der des Namenspatrons. Dieser gibt dem Preis nach dem Willen seiner Stifter eine doppelte Ausrichtung: Die Anknüpfung an Ideen des Erasmus soll die Einigung Europas im Geiste humanistischer Gelehrsamkeit und Bildung fördern. Ich möchte zu beiden Aspekten etwas sagen - natürlich zum Thema Europa und der Zukunft der Demokratie in Europa; aber auch zur Sache eines Humanismus, der sich nicht in einem vagen Geist der Toleranz erschöpft. Erasmus streitet für Positionen, die bis heute umkämpft sind.

Ich beziehe mich auf eines seiner berühmtesten Werke, De libero arbitrio. Darin verteidigt Erasmus bekanntlich die Willensfreiheit der verantwortlich handelnden Person gegen Luthers Prädestinationslehre. In gewisser Weise kehrt diese innertheologische Frontstellung heute in säkularisierter Gestalt wieder. Wie Sie sich erinnern, hat Luther im Anschluss an Augustin gelehrt, dass Gott von Ewigkeit her sein Urteil über Erlösung oder Verdammung jedes einzelnen Gläubigen gefällt hat. Erasmus erinnert an das Jüngste Gericht und widerspricht Luther mit dem Argument: „Warum müssten wir vor dem Richter stehen, wenn nichts nach unserem Willen, sondern alles nach reiner Notwendigkeit bei uns zugegangen wäre?“ (Vom freien Willen (7. Aufl.), Göttingen 1998, 91)

Luther stützt sich im wesentlichen auf zwei Gründe. Er beruft sich zunächst auf Paulus mit der Aussage, die sündige Natur des Menschen sei so tief korrumpiert, dass unser Wille von sich aus, ohne die Gnade des allmächtigen Gottes, nichts vermag. Der andere Grund ist moralischer Art und erklärt sich aus dem zeitgeschichtlichen Kontext einer verweltlichten römischen Kirche. Nur wenn unser Heilsschicksal auf undurchschaubare Weise vorentschieden ist, können die Motive des Gläubigen für ein gottgefälliges Leben von der egozentrischen Absicht einer Beförderung des eigenen Glücks unberührt bleiben. Tatsächlich bleibt der moralische Sinn von Gottes Geboten nur intakt, wenn diese um ihrer selbst willen befolgt werden.

Erasmus teilt diese Kritik an bloßer Werkgerechtigkeit. Aber anders als Luther traut er jeder selbstständig denkenden Person zu, mit Gottes Hilfe die Verbindlichkeit moralischer Gebote allein aus vernünftiger Einsicht zu akzeptieren. Diesen Gedanken wird Kant zweieinhalb Jahrhunderte später auf den Begriff der Autonomie zuspitzen: Frei ist derjenige, der seine Willkür an allgemeine Gesetze bindet, die er sich selbst aus guten Gründen gegeben hat - nämlich aus Einsicht in das, was gleichermaßen gut ist für alle. Damit kann er sich sein Glück nicht verdienen, er kann sich nur des Glückes würdig erweisen.

Heute wiederholt sich diese Konstellation zwischen Erasmus und Luther auf ironische Weise. Auf der Seite des Erasmus stehen Philosophen, die darauf pochen, dass die Person selbst mit guten Gründen zwischen Gut und Böse entscheidet. Auf der anderen Seite stehen Neurologen, die die Willensfreiheit zur Illusion erklären, weil sie die durchgängige kausale Verknüpfung neuronaler Zustände nach Naturgesetzen als ein Äquivalent für den Lutherschen Heilsdeterminismus betrachten. Und als antizipierten sie den Einwand des Erasmus, warum wir als unfreie Personen überhaupt noch vor einen Richter treten sollten, drängen sie auf eine Reform des Strafrechts. Dieses Beispiel erweist den Humanismus, meine Damen und Herren, als eine vitale, nach wie vor streitbare Position.

Umstritten ist erst recht die andere Intention der Preisverleihung - die Einigung Europas im Geiste des Humanismus. Zur Zeit des Erasmus gab es dieses Problem noch nicht. Trotz der Entdeckung Amerikas bedeutete Europa noch die Welt; und die lateinisch sprechende Welt der Gelehrten war ohne Grenzen. Zwar war die römisch-katholische Ökumene dabei zu zerbrechen, aber die konfessionelle Spaltung bedeutete noch keinen Zerfall in Nationen, die sich als solche voneinander abgrenzten. Die Bevölkerungen mussten ein Bewusstsein nationaler Zusammengehörigkeit erst viel später, nach Einführung der allgemeinen Schulpflicht und im Lichte jeweils eigener nationaler Geschichten, Kulturen und Sprachen erwerben, um als Wehrpflichtige en masse gegeneinander mobilisiert werden zu können. Heute liegt das Ende dieses mit dem kolonialem Imperialismus verwobenen Nationalismus wiederum mehr als ein halbes Jahrhundert hinter uns. Aber immer noch spüren wir die Hartnäckigkeit nationaler Grenzen. Mit dem Schengenabkommen sind die Schlagbäume verschwunden; in den Köpfen werden sie wieder aufgebaut.

Denn die Globalisierung von Wirtschaft und Gesellschaft hat erneut Reaktionen der gegenseitigen Abschottung hervorgerufen, und zwar aus doppeltem Grund. Unter Bedingungen wachsender sozialer Ungleichheit erfahren unsere Nationen den schmerzhaften Prozess einer Umwandlung in postkoloniale Einwanderungsgesellschaften. Vergleichsweise homogene Mehrheitskulturen werden durch den Zustrom von Arbeits-, Armuts- und Flüchtlingsimmigranten mit der Herausforderung konfrontiert, fremde Subkulturen mit anderen religiösen Lebensformen gesellschaftlich zu integrieren. Das ist die eine Herausforderung. Die andere besteht in der Aushöhlung nationalstaatlicher Demokratien. Das spüren die Bürger und reagieren darauf mit dem Rückzug in ihre nationale Wagenburg.

Weil die politischen Handlungsspielräume der Regierungen in einer zusammenwachsenden Weltgesellschaft schrumpfen, werden heute die Nationalstaaten in einem rapide wachsenden Netzwerk internationaler Organisationen zu einer immer engeren Kooperation genötigt. Damit verdichten sich zugleich die horizontalen Abhängigkeiten der Regierungen voneinander. Und so kommen, auf der Grundlage internationaler Vertragsbeziehungen, immer mehr Beschlüsse zustande, auf die die Bürger mit ihren demokratischen Mitteln keinen Einfluss mehr nehmen können. Denn einstweilen funktioniert die öffentliche Meinungs- und Willensbildung nur in den Grenzen des Nationalstaates. Da wir aber den Globalisierungsprozess weder rückgängig machen können noch wollen, kann die schleichende Austrocknung der Demokratie nur durch Verlängerung der Legitimationswege über nationale Grenzen hinaus aufgehalten werden.

Die Europäische Union ist auf dem Wege zu einer solchen Transnationalisierung der Demokratie vorangegangen – bisher zum Stolz ihrer Bürger. Aber Europa ist auf halbem Wege stehen geblieben. Darunter leiden heute insbesondere die Länder der Eurozone, weil sich die gemeinsame Währung mit der Souveränität ihrer Mitgliedstaaten in manchen Hinsichten nicht verträgt. Während die Völker unter dem Druck der Krise auseinanderdriften und sich in ihren jeweils eigenen nationalen Öffentlichkeiten gegenseitig stigmatisieren, schreitet die technokratische Verflechtung der Regierungen hinter verschlossenen Türen voran. Und dafür zahlen die Bürger in der Münze ihrer demokratischer Entmächtigung täglich steigende Preise. Aus diesem fehlerhaften Zirkel können wir nur ausbrechen, wenn sich die Nationen füreinander öffnen und vor einer engeren politischen Union nicht länger zurückschrecken. Welches Projekt könnte dem Vermächtnis des Erasmus würdiger sein, als der energische Versuch, das gestörte gegenseitige Vertrauen zwischen dem europäischen Norden und dem europäischen Süden wieder herzustellen?

Video

Jürgen Habermas, een introductie

Jaarverslag 2013

Prijswinnaar 2013: Jürgen Habermas

De Erasmusprijs 2013 is uitgereikt aan Jürgen Habermas. Het thema van 2013 was 'De Toekomst van de Democratie'.

Tentoonstelling 'Decadente Dictators' OBA

Naar aanleiding van de Erasmusprijs 2013 staat de tentoonstelling 'Decadente Dictators' in de OBA.

Erasmusprijs 2013

De Erasmusprijs 2013 is uitgereikt aan Jürgen Habermas. Het thema van 2013 was 'De Toekomst van de Democratie'.

Publicatie 'Een Toekomst voor Europa'

Ter gelegenheid van de Erasmusprijs 2013 heeft Uitgeverij BOOM een nieuwe bundel essays van Jürgen Habermas uitgebracht.

Thema Erasmusprijs 2013

Het thema van de Erasmusprijs 2013 was 'De Toekomst van de Democratie'.

Uitreiking Erasmusprijs 2013

ZM de Koning en Jürgen Habermas tijdens de uitreiking van de Erasmusprijs 2013.

Symposium 'The Future of Europe'

Jürgen Habermas samen met de sprekers en de PhD studenten tijdens het symposium 'The Future of Europe'.

Dankwoord Jürgen Habermas

Jürgen Habermas tijdens zijn dankwoord, bij het ontvangen van de Erasmusprijs 2013.

Koninklijke familie met Jürgen Habermas

Leden van de Koninklijke Familie en Jürgen en Ute Habermas tijdens de Erasmusprijs uitreiking op 6 november 2013.

Erasmus Festival Brabant

De dansvoorstelling 'You, what about me?' tijdens de openingsavond van het Erasmus Festival Brabant 2013.